Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AN7315

Datum uitspraak2003-09-01
Datum gepubliceerd2004-01-06
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAssen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/45988
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / onttrekking aan uitzetting. Eiser heeft ter zitting uitgelegd dat hij kort tevoren in Nederland is aangekomen om asiel aan te vragen en dat hij op weg naar het politiebureau om zich te melden, is aangehouden. Het dossier bevat geen informatie die afbreuk doet aan eisers relaas. Uit de processtukken blijkt niet dat verweerder heeft gevraagd wanneer eiser Nederland is binnengekomen. De rechtbank is van oordeel dat de duur van de periode waarin een vreemdeling zich niet heeft gemeld, relevant is voor de beoordeling van de vraag of de vrees voor onttrekking aan de uitzetting kan worden gerechtvaardigd en dat verweerder deze informatie bij zijn oordeelsvorming dient te betrekken. Verweerder heeft ten onrechte, althans op onvoldoende gronden gemotiveerd, aangenomen dat vrees voor onttrekking aan de uitzetting gerechtvaardigd is. Beroep gegrond.


Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE Zitting houdende te Assen Vreemdelingenkamer Regnr.: AWB 03/45988 VRONTN S4 uitspraak: 1 september 2003 U I T S P R A A K op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende: A, geboren op [...] 1961, van Armeense nationaliteit, IND-dossiernummer: 0308.25.0162, thans verblijvende op het politiebureau te Assen, eiser, gemachtigde: mr. C. de Wal, advocaat te Assen; tegen DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: dhr. R.J. Klink, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. PROCESVERLOOP Bij besluit van 22 augustus 2003 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid en onder b, Vw 2000 in bewaring gesteld. Namens verweerder is de rechtbank op 25 augustus 2003 op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van dit besluit, tegen welk besluit eiser geen beroep heeft ingesteld. Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een eerste door eiser ingesteld beroep tegen de maatregel van bewaring. Eiser is, bijgestaan door zijn gemachtigde, op 1 september 2003 ter zitting gehoord. Ter zitting was een tolk in de Armeense taal aanwezig. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN Eiser is op 21 augustus 2003 op verdenking van overtreding van artikel 311 en / of artikel 416 van het Wetboek van strafrecht aangehouden. Na heenzending is eiser op 22 augustus 2003 door de vreemdelingendienst op grond van artikel 50, tweede of derde lid, Vw 2000 opgehouden. Eiser is diezelfde dag in vreemdelingenbewaring gesteld. Beoordeeld dient te worden of de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd zijn. De rechtbank overweegt als volgt. De procedure leidend tot het besluit tot oplegging van de maatregel is in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. De rechtbank stelt vast dat - nu eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde heeft gedaan - eiser rechtmatig in Nederland verblijft, zodat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid en onder b, Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel berust aldus op de juiste grondslag. Namens eiser is betoogd dat de inbewaringstelling onrechtmatig is te achten, omdat er geen vrees voor onttrekking aan de uitzetting aanwezig is. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hij op 20 augustus 2003 in Nederland is gekomen om asiel aan te vragen. Daar hij niet wist waar hij een dergelijke aanvraag moest doen, is eiser op zoek gegaan naar landgenoten die hem hiermee konden helpen. Ondanks de omstandigheid dat eiser iemand gevonden had die hem kon helpen, is eiser niet in de gelegenheid geweest om asiel aan te vragen, omdat hij reeds op 21 augustus 2003 werd aangehouden op verdenking van winkeldiefstal. Voorts stelt eiser direct na zijn aanhouding al te hebben verklaard een asielaanvraag te willen doen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien een vreemdeling de bescherming wenst van de Nederlandse autoriteiten, hij zich onverwijld had moeten melden. Hierbij heeft verweerder betoogd dat eiser niet middels documenten kan aantonen dat hij, zoals door eiser zelf wordt gesteld, op 20 augustus 2003 Nederland is binnengekomen. Voorts is eiser niet in het bezit van een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en heeft hij geen vaste woon- of verblijfplaats. De gronden voor inbewaringstelling zijn aldus aanwezig. De rechtbank komt tot het volgende oordeel. Niet in geschil is dat eiser niets te maken heeft gehad met de diefstal, waarvan hij werd verdacht. Voorts heeft eiser ter zitting uitgebreid uiteengezet dat hij kort tevoren in Nederland is aangekomen om asiel aan te vragen en hoe het kon gebeuren dat hij, op weg naar het politiebureau om zich te melden, werd aangehouden voordat zijn melding plaats kon vinden. Uit het dossier blijkt geen informatie die afbreuk doet aan eisers relaas. Uit de processtukken blijkt voorts niet dat verweerder aan eiser heeft gevraagd wanneer eiser Nederland is binnengekomen. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat hiernaar niet is gevraagd. De rechtbank is van oordeel dat de duur van de periode gedurende welke een vreemdeling zich niet heeft gemeld, zeer relevant is voor de beoordeling van de vraag of de vrees voor onttrekking aan de uitzetting kan worden gerechtvaardigd en dat verweerder deze informatie bij zijn oordeelsvorming dient te betrekken. Ingeval een vreemdeling niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21, Vb 2000, geen vaste woon- verblijfplaats hier te lande heeft en zich tevens niet gemeld heeft bij de korpschef, zal snel worden aangenomen dat er vrees voor onttrekking aan de uitzetting bestaat. Echter niet in alle gevallen waarin deze omstandigheden zich voordoen, is daarvan zonder meer sprake. Onder de omstandigheden als bovenvermeld, terwijl eiser bovendien nog maar zeer kort in Nederland verblijft, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte, althans op onvoldoende gronden gemotiveerd, heeft aangenomen dat vrees voor onttrekking aan de uitzetting gerechtvaardigd is. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de bewaring onrechtmatig is. Het beroep is derhalve gegrond. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een schadevergoeding van €95,-- per dag toe te kennen voor de 10 dagen die hij vanaf 22 augustus 2003 heeft doorgebracht in een politiecel. Dit betekent dat een schadevergoeding van €950,-- zal worden toegekend. Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. BESLISSING De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de maatregel van de bewaring met ingang van heden; - kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van €950,--; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van €322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechts-persoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. Krachtens artikel 95, Vw 2000 staat tegen deze hoger beroep open. Het beroepschrift dient binnen één week na verzending van deze uitspraak te worden ingediend bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Bij de indiening van het beroepschrift dient tegelijkertijd een afschrift van de bestreden uitspraak te worden gevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr B.I. Klaassens, rechter, in tegenwoordigheid van A.P. Kuiters als griffier en uitgesproken op 1 september 2003. Afschrift verzonden: 11 september 2003